Is het ‘boerderijeffect’ eindelijk bewezen (?)

Koeien in EngelandOnderzoekers onder leiding van Markus Ege van het Dr. von Haunersche Kinderziekenhuis van het academische ziekenhuis in München en het instituut voor astma- en allergiepreventie van het Helmholtz-ziekenhuis eveneens in München zouden voor het eerst hebben vastgesteld welke bacteriën in de stallucht verantwoordelijk zijn voor het zogenaamde ‘boerderijeffect’, dat bescherming kan bieden tegen allergieën als hooikoorts en tegen astma.
Jaren geleden kwam ik(=as) een artikel tegen dat kinderen uit het voormalige Oost-Duitsland (DDR) beter uitgerust waren tegen allerlei allergieën dan die in het hygiënisch ‘reinere’ West-Duitsland. De slechtere milieuomstandigheden in Oost-Duitsland zouden het afweersysteem van de inwoners als vroeg hebben geleerd zich tegen die aandoeningen te beschermen. Later schijnt het artikel weer ingetrokken te zijn.
Het verhaal is echter blijven rondwaren. Kinderen die opgroeien op het platteland ontwikkelen minder allergieën (zoals hooikoorts) en astma dan kinderen die in de stad opgroeien. Dit zogenaamde ‘boerderijeffect’ is in verschillende observationele studies wereldwijd vastgesteld. Het is hoogstwaarschijnlijk te danken aan het feit dat verschillende bacteriën in de stallucht overmatige ontstekingsreacties van het afweersysteem voorkomen, die kenmerkend zijn voor allergieën als hooikoorts en voor astma, is de huidige verklaring van dit fenomeen.
Om welke bacteriën gaat het? De onderzoekers zouden voor het eerst hebben aangetoond welke bacteriën in de stallucht dat ‘staleffect’ veroorzaken, welke bacteriële stoffen dit bewerkstelligen en aan welke receptoren in het lichaam ze zich binden om hun potentiële beschermende werking uit te oefenen.

Hygiëne?

De hygiënehypothese is al jaren een terugkerend onderwerp. Ze ontstond in 1989 na drie decennia van een dramatische toename van allergieën, hooikoorts en astma bij kinderen in westerse geïndustrialiseerde landen. Dit zijn allemaal aandoeningen waarbij het afweersysteem overmatig reageert met ontstekingen en de eigen structuren van het lichaam aanvalt.
Volgens die hygiënehypothese komt dit door een gebrek aan stimulatie in de vroege kindertijd. Het afweersysteem van kinderen die onvoldoende worden blootgesteld aan ziektekiemen is vatbaarder voor storingen.
“Meisjes en jongens die opgroeien op een boerderij worden blootgesteld aan een grote verscheidenheid aan microben en hebben dit probleem aanzienlijk minder vaak”, zegt Ege. Dat zou komen doordat hun afweersysteem voortdurend wordt blootgesteld aan bacteriële ‘sparringpartners’ uit de stallucht dat daardoor ‘leert’ om overmatige ontstekingsreacties te vermijden.

De hygiënehypothese is echter nog niet definitief bewezen. Ze is grotendeels gebaseerd op observationele studies. “Deze kunnen alleen verbanden suggereren met wisselende mate van overtuiging”, zegt epidemioloog Ege. “Met onze nieuwe studie kunnen we dat nu zeer plausibel doen, omdat we de individuele schakels in de vermoedde causale keten kunnen identificeren: bacteriën, de metabolische producten van de betrokken microben en menselijke receptoren.”

De onderzoekers gebruikten gegevens van meer dan duizend kinderen uit grote Europese studies in plattelandsgebieden. Van alle meisjes en jongens waren twee soorten monsters beschikbaar: neusuitstrijkjes en stof van hun matrassen. Daarnaast werden stofmonsters genomen uit de koeienstallen van 47 boerderijkinderen.
De onderzoekers onderzochten vervolgens welke bacteriën en schimmels in deze monsters aanwezig waren, hoe deze micro-organismen met elkaar wisselwerkten en of bepaalde groepen micro-organismen de kinderen beschermden tegen astma.

Hiervoor gebruikten de epidemiologen en bio-informatici moderne gen- en metabolische analyses en ontwikkelden ze rekenmodellen. Door elimineren vonden ze uiteindelijk de cruciale ‘beestjes’. Ze onderzochten ook of de genen van de kinderen deze bescherming beïnvloedden. Ter bevestiging gebruikten de onderzoekers ook gegevens uit Frankrijk en Finland.

Nauwkeurig?

“We hebben een aantal bacteriën geïdentificeerd die we nu tot op soortniveau nauwkeurig kunnen benoemen zoals Romboutsia timonensis en Glutamicibacter arilaitensis“, zegt hoofdauteur Giuila Pagani. “Deze zogenaamde grampositieve bacteriën zijn samen verantwoordelijk voor tweederde van het totale effect van de boerderij op astma en de helft van het effect op hooikoorts en atopische dermatitis.”

Die bacteriën zijn afkomstig uit het spijsverteringskanaal van de koe, waar ze stoffen produceren of metaboliseren zoals kynurenine, xanthine, alfalinoleenzuur en stearidonzuur. Deze stoffen kunnen gemakkelijk worden ingeademd en herkend door de twee receptoren AhR en PPARγ op menselijke luchtwegcellen. Ege: “Deze receptoren hebben diverse functies, onder andere in het afweersysteem. Ze voorkomen vermoedelijk een overmatige ontstekingsreactie.” Hun rol in het ‘boerderijeffect”‘ was nog onbekend.

Bron: idw-online.de

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie gegevens worden verwerkt.